UA-104319606-1

quebec

  • Chutes de Montmorency - Ile d'Orléans

    Als ons iets is opgevallen aan het Canadese weer, dan zijn het de temperatuurschommelingen. Waar het in mei gemiddeld 18° zou zijn in Quebec varieerden de temperatuur tijdens ons verblijf van 11° tot 28°, en dat soms op één dag. 's Nachts ging het soms nog naar het vriespunt. Zo hadden we het tijdens ons stadsbezoek aan Quebec erg koud met maximaal 11° en een strakke wind, terwijl het de dag nadien volop zomer was met stralende zon en puffen bij 27°. Oftewel switchen van wintertrui met twee t-shirts eronder naar een topje en zonnebrandolie. Zo’n mooie dag vroeg om wat natuur, temeer omdat Quebec stad zich op amper één dag laat verkennen, toch wat de oude stad zelf betreft. En dus trokken we in onze huurauto naar de watervallen van Montmorency.

    Ik had liever de Niagara Falls gedaan, maar met een afstand van 900km enkel en al de overnachtingen al vastgelegd bleek dat helaas niet meer haalbaar. Montmorency Falls dan maar; met zijn 83m 30m hoger dan de Niagara, maar veel minder breed en spectaculair. Maar wel slechts op 12km van Québec, en dus superbereikbaar!
    De reisgids had ons gewaarschuwd, de watervallen zijn een beetje een tourist-trap; alhoewel de toegang gratis is, kost de parking een flinke 9.50$ en het kabelbaantje naar boven nog eens  11.50$ per persoon. Gelukkig had de reisgids ook schitterende tips om dit te ontwijken, nl gratis parkeren aan het kerkje op 1km stappen van de waterval en in plaats van de kabelbaan gewoon de trap naast de waterval nemen. Ok, het is een eindje stappen in de blakende zon en de trap is geweldig hoog en vermoeiend, maar het loont wel dik de moeite.
    In het park van de watervallen vind je trouwens restanten van een van de vele veldslagen tussen Fransen en Britten.

    De watervallen zelf zijn best mooi, als Belgen zijn we tenslotte niets gewend. Je kan tientallen foto’s maken vanuit alle mogelijke perspectieven en bovenaan de waterval kan je zelfs op 1m van het water de waterval oversteken via een brug, best spectaculair. Een ideale afwisseling voor de stad en zeker gezien het zalige zomerweer een goed gespendeerde voormiddag.

    Van aan de waterval ben je op 1 minuut van de brug naar het Ile d’Orleans, een beetje de moestuin/speeltuin van de Québecers. Het kleine eilandje (30km lang) heeft maar 4 wegen en 4 dorpjes en herbergt enkele van de eerste nederzettingen van de Franse kolonisten. Wij bezochten de Manoir Mauvide-Genest, een klein, ouderwets maar superschattig museum waar je voor amper 8$ een privérondleiding van een uurtje krijgt van een in traditionele kledij gehulde dame. Het huis geeft een interessant beeld op het leven in de streek in de 18e en 19e eeuw.


    Het eiland is een echte toeristische trekpleister. Voor 1$ koop je een boekje met alle dingen die er te vinden zijn en dan rijd je gewoon het eiland helemaal rond. Een chocolaterie, boerderijen waar je streekproducten kan kopen rechtstreeks van de boer (cider, aardbeien, cassis,…), restaurants, manèges, voer voor de dagjesmens. Helaas begint het toeristisch seizoen hier pas in juni, en was bijna alles nog dicht. Wat ons niet belette om te genieten van de leuke typische houten huisjes en het zicht op het water dat je van bijna overal hebt. Maar toch net iets te toeristisch naar onze smaak.

    Liefst hadden we het eiland achter ons gelaten en verdergereden om de natuur van Charlevoix te verkennen, maar het was ondertussen al 16u en we moesten nog inpakken, dus keerden we maar terug naar de stad voor een lekkere menu bij een plaatselijk Tunesisch restaurant. Nog zo veel te zien, nog zo veel te doen, het knaagde een beetje wanneer we ’s avonds na het inpakken nog op de kaart van de streek keken. Maar ja, een immense streek als Québec zie je nu eenmaal niet op twee weken tijd.

  • Québec City

    christmasshop

    Logeren in een gezellige bed&breakfast kan ik alleen maar aanraden. Tijdens het ontbijt aan de grote tafel in Chez Francois, onze b&b in Montréal, kregen we van de zakenreizigers uit Québec die er ook verbleven al meteen een stapel tips voor ons verblijf daar. Dat het een volledig andere stad was, eerder een dorpje in vergelijking met Montreal, en nog veel franstaliger. Een echte ambtenarenbastion waar iedereen om 16u30 naar huis toe snelt. Maar wel pittoresk, daar waren ze het over eens. En met een grotere en oudere stadskern dan die van Montreal.

    Na een bijzonder vlotte rit van 6 uur, waarvan een tweetal uur door niemandsland (afritten waar niets lijkt te zijn- het compleet ontbreken van wegrestaurants waarbij we pas om 15u compleet uitgehongerd een Subway broodjeszaak vonden in een dorpje op 5km van de snelweg met amper inwoners maar wel een knoert van een kathedraal aan de voet van de rivier- aan de rechterkant enkel water, water, water, zo ver je kan zien…) kwamen we zowaar te vroeg aan in onze bed&breakfast Aux Trois Balcons, onze gastvrouw Isabel zou er pas tegen 17u zijn. Gelukkig was ze een uur te vroeg, en hoefden we geen uur uitgeput in de auto te wachten.
    aux-trois-balcons

    We kregen onze gerieflijke kamer toegewezen, en meteen een plannetje van de stad en de omgeving met een uitgestippelde wandelroute en enkele restauranttips op maat. Onze b&b lag in een van de meer recente wijken, op een half uurtje stappen van het hart van de oude stad. We besloten na het lange stilzitten in de auto een avondwandelingetje te maken, en wandelden langs een grote avenue tot aan de stadspoort van het oude centrum ( Quebec is de enige ommuurde stad ten noorden van Mexico in Noord-Amerika!). Het was een leuk eindje stappen, langs enkele prachtige oude huizen, door de ambetarenwijk met zijn nieuwbouwtorens om dan aan het Parlement uit te komen. Aan de stadsmuur maakten we rechtsomkeert en liepen terug richting onze b&b via de ‘hippere’ straat Rue St Jean, waar we vreemde winkeltjes ontdekten met middeleeuwse kleren (gothic  en metal zijn blijkbaar enorm in bij een deel van de jeugd daar) maar ook een leuk uitziend veggie restaurant en een mini chocolademuseum. We waren echter moe, en doken na een lekkere maaltijd bij de Indiër om de hoek van onze kamer ons bed al in.

    De dag nadien begonnen we na een ontbijt dat nog uitgebreider bleek dan dat in Montreal (een mega omelet met vers fruit en yoghurt bij gevolgd door een dessert van in de oven gecarameliseerd appeltje met nootjes en een scone bij, bijna ontploft van dat allemaal binnen te spelen, maar het was gewoon te heerlijk om het niet te doen) aan een stadsverkenning. Na hetzelfde stuk door de nieuwere wijken, liepen we onder de poorten van de oude stad door om terecht te komen in een voor Amerika onvoorstelbaar stukje erfgoed. Een klein, ommuurd stadje zoals je het in Frankrijk of Italië verwacht, met restaurantjes en winkeltjes, met oude huisjes en kloosters, met een citadel en het imposante eind 19e eeuwse hotel Chateau Fontenac. Een stijle trap brengt je van de bovenstad naar het deel aan de haven, dat zo mogelijk nog pittorresker is, met volgens de inwoners het smalste straatje van het continent (Rue du Petit Champlain) dat volgestauwd is met leuke kleine huisjes, toeristen en winkeltjes. Algemeen kan je echter stellen dat in mei het aantal toeristen in Canada zeer klein is; in deze straatjes voelde het een klein beetje toeristisch aan, maar in ganse delen van Montreal en in de Laurentides voelden we ons vaak de enige buitenlandse bezoekers… Mei is dus de ideale maand om het land te bezoeken als je de dingen rustig wil bekijken.

    Quebec is enorm pittoresk, oude stenen huizen, pleintjes, straatjes. Het voelt aan alsof je in Europa bent. Toch prefereer ik Montreal, vooral dan van sfeer. Montreal is relaxter, openener, moderner, wereldser. Het beste kan je het volgens mij nog vergelijken met het een beetje ingeslapen openluchtmuseum Brugge versus het levendige, grotere en studentikozere Gent. Velen verkiezen Brugge/Quebec omdat het ouder, meer Bokrijkachtig aanvoelt, maar Gent/Montreal zijn zowel oud als nieuw en worden ook echt bewoond en geleefd eerder dan enkel bezocht.
    quebec

    Qua musea was er niets dat ons kon aanspreken, het was allemaal zeer francofoon gericht, dus hielden we het bij een ganse dag rondwandelen in de verschillende wijken, wat winkels binnenlopen en gaan eten in de Commensal, een veggie keten waar ze eten in buffetvorm aanbieden en de Tarte d’erables(= maple of ahorn, het nationale ingerediënt dat de Canadezen overal indoen)  niet te versmaden was .
    ’s Avonds gingen we op aanraden van onze gastvrouw eten bij Chez Victor, een hip burgerrestaurant waar zowaar 4 bijzonder originele veggieburgers naast al het vlees op de kaart stonden. Ik koos voor een spinazie-notenburger met voor in het buitenland te zijn best lekkere frieten, al schillen Canadezen blijkbaar hun aardappels niet eer ze in het frituurvet te gooien, wat een niet zo smakelijk bruin kleurtje aan de frieten geeft. Het nationale bijgerecht poutine (frieten gedrenkt in kaas en jus) werd er gretig bij de hamburgers besteld, maar dat lieten we toch maar aan ons voorbijgaan. Een beetje spijtig achteraf gezien aangezien dit zowat het enige streekgerecht is dat frequent gegeten wordt in Québec  en we nu buiten de talloze maple-syrup bereidingen (taart, ijs, op pannenkoeken en wafels, in yoghurt,…) we nu niets eigen aan de streek hebben gegeten.  De hamburgers waren in elk geval subliem, een aanrader voor iedereen!

     

  • Tweedaagse trektocht in de Canadese Laurentides

    beverhut

    Na 6 dagen Montreal was het tijd geworden voor wat anders. Canada is een gigantisch land en Quebec een grote provincie, dus wat beter dan na de stad eens de natuur verkennen. Om 9u werden we verwacht in Mont Laurier, een dorpje in de Laurentides, de natuurstreek bij uitstek waar de Montrealers gaan skieen, vissen, jagen, ... Wij hadden een tweedaagse trektocht te paard gereserveerd.

    De dag voordien waren we onze huurauto gaan afhalen, wat enige aanpassing had gevergd (je kan in Canada enkel 'automatieken' huren, tenzij je fors bijbetaalt voor een manuele versnellingsbak) en op amper een half uur ook een verkeersboete had opgeleverd. We zagen nergens een verbodsbord, een local verzekerde ons dat we daar mochten parkeren, maar op het half uur dat het ons koste om de gastheer van onze b&b te vinden, had de politie ons al gevonden. In Montreal blijken ze iets strikter om te gaan met bewonersparkeren dan in Gent het geval is!

     

    Om 6u30, een half uur later dan gepland, begonnen we aan het tweede deel van ons Canadees avontuur, oftewel de rit van zo'n drie uur de natuur in. 

    Montreal staat werkelijk vol verkeerslichten, die ook nog eens constant op rood staan en totaal niet op elkaar zijn afgestemd, waardoor de stad uitraken op zich al vrij veel tijd nam. Eens op de snelweg wees de rest echter zichzelf uit, letterlijk altijd rechtdoor. Eerst op de grote snelweg door de suburbs, dan op de grote snelweg door de natuur die dan veranderde in een kleinere autoweg tussen de 'bergen'. We passeerden Mont Tremblant, het ski-oord waar enkele maanden tevoren nog de vrouw van een bekende acteur is omgekomen. De autoweg was ondertussen een baantje geworden dat gewoon rechtdoor de dorpen gaat en waar je dus telkens maximaal 50 mag rijden. En hoe klein en afgelegen de weg oog, we passeerden flitsers!

     

    Met wat vertraging bereikten we Mont Laurier, nu nog Le Rêve Blanc vinden, de manege. Makkelijker gezegd dan gedaan, we vonden wel de straat voor de onze, maar niet de juiste straat. Na een half uur een uitgestorven wegel langs een grote rivier op en af gereden te hebben, zonder ooit iemand te passeren om de weg aan te vragen, besloten we toch naar eens te bellen, we waren ondertussen al een dik uur te laat. Google Maps bleek ons aan de verkeerde kant van de rivier te hebben gestuurd en het verschil tussen Route du Ferme Rouge en Chemin du Ferme Rouge niet te kunnen maken> Blijkbaar waren we niet de eersten die hier verloren reden...

     

    Ondertussen had onze Franse gids de paarden al helemaal opgezadeld. Voor de tweedaagse zouden het enkel wij zijn en dan de jonge gids, pure luxe dus. Ik kreeg een bijzonder mooie merrie toegewezen, die wel net hengstig was geweest en dus nu en dan wel wat kuren zou demonstreren, Cheyenne. Mijn wederhelft kreeg de iets gelijkmatiger van temperament zijnde ruin Spirit. Na de laatste voorbereidingen vertrokken we meteen voor twee dagen de natuur in, onze koffers en toiletgerief achterlatend in de koffer van de auto.

    cheyenne

    Die eerste dag was het ijskoud. In Montreal zat er bovendien een stormwind, die gelukkig hier in de heuvels een stuk minder was. Toch was het amper 11 graden op het warmst van de dag en ondanks wintertrui en windjekker hebben we de hele dag gemeen kou gehad. Zelfs de warme chocolademelk tijdens de lunch (zittend op omgevallen boomstammen tussen de struiken in het bos) kon daar weinig aan veranderen.

     

    De paarden bleken super mee te vallen, geen afgereden manegepaarden maar paarden met karakter. Te veel karakter soms, zo sprong Cheyenne tijdens de eerste galop met mij het bos in en tijdens het oversteken van een klein greppeltje sprong ze een meter hoog de lucht in, wat in combinatie met het westernzadel enkele centimetersgrote blauwe plekken opleverde.

    Toch was het zalig. Met amper 3 man de natuur intrekken, pure luxe. Onze gids had in Frankrijk ecotoerisme gestudeerd en gaf constant uitleg, over de dieren van de streek, de jacht, het land, de tochten te paard en de hondensledetochten die hij in de winter begeleidde. Het was niet altijd even makkelijk te volgen in het Frans. Zo verkeerde ik een paar uur in de overtuiging dat 'castors' een soort herten waren, tot het me begon te dagen dat die omgeknaagde bomen links en rechts toch weinig met harten te maken konden hebben. Bevers dus.... Qua levende dieren zagen we marmotten, een hoop eenden en vogels en ook eens een tweetal herten. Van de bevers echter enkel de hutten die ze bouwen en van de beren die er wonen enkel twee vellen die ergens aan de buitenkant van een huis gespijkerd hingen. De wolven, vossen, dassen van de streek lieten zich niet zien. Onze gids had het jaar voordien echter nog een berenjong gezien...

     

    Na een zestal uur paardrijden kwamen we aan op onze slaapplaats, een door de eigenaar zelfgebouwde boshut zonder stromend water, electriciteit of enige vorm van sanitair. Voor er van enige rust sprake kon zijn, was het echter eerst de paarden afzadelen, borstelen, eten en drinken geven en goed vastmaken voor de nacht. Nadien konden we eindelijk zelf wat opwarmen dicht bij de oude houtstoof die de hut gelukkig had. Er waren ook een tafel en stoelen en twee gasvuurtjes om op te koken. Met het eten uit onze zadeltassen maakte de gids spaghetti klaar, waarbij mijn saus bestond uit opgewarmd groentensap... Toch smaakte die elementaire pasta hemels; wam eten en een stoel na een ganse dag bevriezen op een paardenrug.
    cabin

    Om te slapen hadden we naast onze slaapzak zelfs een echte matras, die op het kleine verdiepinkje van de hut lag. Ondanks dat comfort deed ik geen oog dicht...

     

    Om 7u30 was iedereen al spontaan wakker geworden. Ook Belle, de huishond van de uitbaters van het paardrijden. De hond was een vondeling die nooit enige scholing had gekregen, maar die overal met de paarden meeliep, zonder leiband, en die voorbeeldig luisterde. De ganse tweedaagse tocht liep ze gezellig langs de paarden mee...

    Tegen 9u hadden we ontbeten, de paarden verzorgd en weer helemaal opgetuigd en begonnen we aan de tweede tocht. Beter weer vandaag, nog een koude wind, maar een aangenaam zonnetje dat onze handen en ons gezicht liet verbranden zonder dat we iets in de gaten hadden. We beklommen een helling van een in ombruik geraakt ski-oord en hadden daar een prachtig zicht op twee meren, langs elke kant van de heuvel een. Ongelofelijk hoeveel ruimte Canada biedt. Daarna maakten we enkele tochten langs de meren, waarbij de dorpelingen telkens rondom het meer wonen, echt zalig. Met de stramme spieren viel het gelukkig veel beter mee dan gevreesd, enkel wat schuurplekken omdat we niet onze rijbroek aanhadden maar een gewone jeans. 

     

    Toen we iets na 16u weer bij de auberge aankwamen die de eigenaars van de paarden uitbaten, hadden we vooral spijt dat de tocht er al opzat, We hadden zo veel liever nog een extra dag paardgereden, maar ja, dan bleef er helemaal geen tijd meer over voor Quebec stad, en die wilden we toch ook absoluut nog zien. Onze supercomfortabele wolvenkamer en het viergangendiner dat we kregen voorgeschoteld konden ons echter wel bekoren, maar vooral het hete bad in onze eigen badkamer. Na twee dagen zonder tandenborstel, deo of haarkam, zonder toilet of wasbakje beseften we pas toen we in dat bad zaten hoe smerig en stram we waren...

     

    De volgende ochtend, eer de 550 km naar Quebec aan te vatten, ging ik nog even met de puppies spelen. De uitbaters organiseren in de winter dus trektochten met de hondenslee, en achter de auberge zitten meer dan 120 honden. De enkele weken oude puppies liepen echter nog gewoon los op het domein, en kamen vrolijk en enthousiast in mijn vingers en fototoestel bijten toen ik hem kwam begroeten. Ik had echt zo graag nog een of enkele dagen langer gebleven, zo tussen de paarden en de honden gelukkiger kan een mens niet zijn. Als er die lokroep van de stad niet was geweest tenminste... We namen afscheid van de hartelijke uitbaters die ons aanspoorden eens terug te komen in de winter om een sleetocht te komen maken, en om 9u30 waren we al opzeg naar Quebec...